Nu te huur op het Marineterrein: monumentale kantoorruimte voor een ambitieuze start-up of scale-up
Op het Marineterrein is natuur overal aanwezig: soms zichtbaar en soms verborgen. In de toekomst ontwikkelt deze plek zich tot een nieuwe stadswijk. Dat roept ook een andere vraag op: hoe bouwen we niet alleen voor mensen, maar voor ál het andere leven dat thuishoort in de stad? Tijdens het maandelijkse Natuur Uurtje verkennen we samen met een natuurexpert wat er groeit, kruipt, bloeit en zwemt op het terrein.
Voor dit Natuur Uurtje gingen we op stap met Zoe van Helvoirt en Florence van Haastrecht van BeeGrateful. Zij creëren bestuiversvriendelijke omgevingen, voegen nestplekken toe en monitoren wilde bijen.
Wie aan bijen denkt, ziet al snel een zwart-gele honingbij op een bloem of een kast vol zoemende werksters voor zich. Maar, wist je dat er in Nederland meer dan 360 soorten bijen bekend zijn? Slechts één daarvan is de honingbij. De rest van de bijensoorten noemen we wilde bijen, omdat ze niet door mensen worden gehouden of verzorgd. Deze bijen:
Een volwassen solitaire bij leeft meestal maar enkele weken.
De vrouwtjes doen het meeste werk. In de korte tijd dat ze leeft bouwt ze een nest, verzamelt ze voedsel en legt ze eitjes in afgesloten broedcellen. De larven leven van die voorraad en komen vaak pas het jaar daarop als volwassen bij naar buiten.
Planten bestaan nog maar relatief kort in de geschiedenis van de aarde. Ze evolueerden uit groene algen in het water. Bloemplanten verschenen pas veel later. Ook de bij ontstond later. Ze is eigenlijk een vegetarische wesp. Haar voorouders jaagden op andere insecten om hun larven te voeden. Tijdens de evolutie stapten bijen over op stuifmeel; net als prooi een eiwitrijke voedselbron voor hun larven. Geen jager meer, maar bestuiver. Het hele bestaan van wilde bijen raakte zo verbonden met bloeiende planten.
Wilde bijen zijn onmisbaar voor een gezond ecosysteem. Samen met andere bestuivers zijn ze belangrijk voor de bestuiving van ongeveer 75% van de belangrijkste voedselgewassen wereldwijd. Ook zweefvliegen, vliegen, vlinders, nachtvlinders, kevers en wespen brengen stuifmeel van bloem naar bloem.
Bijen zijn wel bijzonder efficiënte bestuivers. Door hun harige lichaam, bloemvastheid en soms sterk gespecialiseerde bouw nemen ze veel stuifmeel mee. Geen enkele soort kan echter alles. Sommige bloemen vragen om een lange tong, terwijl andere hun stuifmeel pas vrijgeven wanneer een bij ze laat trillen. Ook vliegen niet alle bijen in hetzelfde seizoen of op dezelfde planten. Een weerbaar ecosysteem heeft daarom niet één perfecte bestuiver nodig, maar veel verschillende bestuivers.
En juist met wilde bijen gaat het slecht. Van de onderzochte Nederlandse bijensoorten staan er 181 op de Rode Lijst. Dat is 55 procent. Ze zijn kwetsbaar, bedreigd of ernstig bedreigd en sommige soorten zijn al uit Nederland verdwenen.
Voor wilde bijen is de stad vaak lastig. Maar voor sommige cultuurvolgers (soorten die juist goed kunnen leven in een omgeving die sterk door mensen is ingericht) is de stad met zijn geveltuinen, groendaken, spoorbermen en stadsparken juist een uitstekende thuishaven.
Zoe en Florence kijken niet alleen naar bloemen, maar ook naar de ruimte ertussen. Op het Marineterrein liggen voedsel en nestgelegenheid op de meeste plekken dicht genoeg bij elkaar. En dat is belangrijk, want veel wilde bijen leven heel lokaal. Een brede weg, waterpartij of versteend plein kan voor een bij die maar een paar honderd meter vliegt al een barrière zijn.
Naast gebouw 002 staat een insectenhotel. Daar zie je hoe verschillend wilde bijen nestelen. Metselbijen sluiten hun nestgang af met leem en gebruiken vaak wat grotere gaten. Tronkenbijen gebruiken juist kleine openingen van ongeveer vier millimeter en sluiten hun nest af met hars. Op het groene dak van gebouw 002 gonst het ondertussen van de hommels.
Ook bij de Graspannen is genoeg te zien. Daar vliegt de aardhommel – ‘de panda onder de bijen‘ met haar witte harige kontje – af op planten als wilde marjolein. Even verderop zien we een akkerhommel met een warm kraagje rond haar borststuk. Een andere bijzondere bewoner is de klokjesbij, deze is afhankelijk van klokjesbloemen. In Amsterdam profiteren ze van campanula’s, zoals kruipklokje en Karpatenklokje, die ooit uit tuinen ontsnapten en nu tussen stoeptegels en in kademuren groeien.
Tussen de bloemen bewegen ook kleine groefbijen van bloemhoofdje naar bloemhoofdje. Die zijn makkelijk over het hoofd te zien, maar belangrijk voor het grotere verhaal.
We zien namelijk ook de bloedbij; een parasitaire bij met een rood achterlijf, die legt haar ei vaak in het nest van een groefbij. De larve leeft vervolgens van de voedselvoorraad die de groefbij voor haar eigen nakomelingen heeft verzameld. Hun aanwezigheid is dus ook een teken dat er een gezonde populatie groefbijen aanwezig is.
Niet alles wat op een bij lijkt, is ook een bij. Bij de Graspannen zien we ook zweefvliegen die bijen of wespen nabootsen. Zweefvliegen kunnen zelf niet steken, maar profiteren van die gelijkenis. Je herkent ze onder andere aan hun twee vleugels in plaats van vier en aan hun grote ogen.
Wilde bijen hebben vooral twee dingen nodig: voldoende voedsel en een geschikte plek om te nestelen. Juist daarin kun je in een tuin, op een balkon of zelfs rond een gevel al verschil maken.
Veel wilde bijen zijn klein en onopvallend. Met het blote oog zie je soms niet meer dan een bewegend stipje. Door een macrolens verschijnt ineens een wereld van haren, kaken, ogen en stuifmeelkorfjes.
Daarom verloten we voor dit Natuur Uurtje maximaal 10 plekken voor een workshop macrofotografie met natuurfotograaf Jeroen Stel op zondag 6 september op het Marineterrein.
Reageer onder de post met BIJzijn of stuur een mail naar ania@voestepp.nl.
Geen macrolens? Huur er bijvoorbeeld een bij Budgetcam. Jeroen helpt je de wilde bijen en andere kleine bewoners van het Marineterrein van heel dichtbij vast te leggen.